| Inhoudsopgave |
|---|
| De Schotse Ritus |
| Pagina 2 |
| Pagina 3 |
| Alle pagina's |
De Schotse Ritus: onontbeerlijk hulpgereedschap voor de Meestervrijmetselaar
MAARTEN BRANDT
In het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw ben ik toegetreden tot de Orde van het Heilig Koninklijk Gewelf. Dat ging toen nog slechts op uitnodiging. Ik was (en ben dat overigens nu nog, maar dat is een ander verhaal) dermate enthousiast over deze obediëntie, dat ik mijn geestdrift niet onder stoelen of banken stak. Zo herinner ik mij nog als de dag van gisteren een gesprek met een van de Meestervrijmetselaren in mijn loge die al veel langer in de vrijmetselarij meeliep dan ik, maar nooit lid was geworden van onverschillig welke – zoals wij dat thans noemen – voortgezette maçonnieke werkwijze. Op mijn vraag naar het waarom antwoordde hij: “Omdat ik nog niet met de Symbolieke Graden en laat staan met de Meestergraad klaar ben.”

Onervaren als ik toen was had ik op deze reactie geen pasklaar antwoord. Nu zou mijn antwoord echter als volgt luiden: “Met uw reactie ben ik het geheel eens. Natuurlijk is men nooit klaar met het doorgronden van de betekenis van de Meestergraad. Juist daarom zijn er die voortgezette maçonnieke werkwijzen, gradenstelsels die niet hoger zijn dan de Meestergraad, maar die verdiepend en verbredend werken ten aanzien van de in de Symbolieke Graden in het algemeen en de Meestergraad in het bijzonder aangedragen thematiek. U moet de betekenis van deze werkwijzen dan ook zien in termen van hulpgereedschap. Niet meer en niet minder.”
Hier aangekomen moge ik tevens herinneren aan een uitspraak van wijlen Broeder Lingbeek, de schepper van de ritualen van de Arnhemse loge De Oude Landmerken, die zich ten aanzien van deze materie aldus heeft uitgelaten: “Ik heb ze alle drie-en-dertig en nog een paar graden erbij, maar de Meesterinwijding is de top.”
Over een van die hulpgereedschappen wil ik het vandaag met u hebben in mijn hoedanigheid als logevertegenwoordiger van de Geldersche Broederschap in het O:. Arnhem: de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus. Wat kan deze Orde voor de jonge Meestervrijmetselaar betekenen? Wat kunnen wij aan hem als logevertegenwoordiger kwijt ten aanzien van de inhoud daarvan, en speciaal over de unieke wijze waarop die inhoud in de Nederlandse AASR op de kandidaten wordt overgedragen?
Want, zonder nu meteen naast onze schoenen te gaan lopen, kan wel worden vastgesteld dat de ritualen van de Nederlandse AASR een hoog authenticiteitgehalte bezitten en zeer dicht staan bij de oorspronkelijke Franse ritualen die door de vermoedelijk van Nederlandse afkomst zijnde Henry Andrew Francken (1720-1795) in het Engels zijn vertaald en waarop de thans in Nederland vigerende ritus voor een belangrijk deel is gebaseerd, zij het zodanig dat het geheel is aangepast aan de noden van deze tijd. Ofschoon de Schotse Ritus als huishoudelijke instelling in de Verenigde Staten is ontstaan is en blijft Frankrijk in inhoudelijk opzicht de bakermat van de AASR waar ook ter wereld. Dat is ook begrijpelijk. Immers, in Engeland prevaleert – en dat tot op de dag van vandaag - de vormelijkheid binnen het maçonnieke gebeuren boven het speculatieve, filosofische en allusieve element. Het zijn evenwel deze aspecten die de Franse vrijmetselarij in substantiële mate kenmerken. Een vrijmetselarij die, grofmazig geredeneerd, als een doorgeefluik bij uitstek kan worden beschouwd van de belangrijkste geestelijke stromingen van het nabije oosten en west Europa. Deze reiken via de Antieke wijsbegeerte (Platonisme, Neoplatonisme en Stoïcisme), Gnostiek, Hermetisme, Kabbala tot en met die andere Koninklijke Kunst, de alchemie welke op haar beurt weer ten nauwste is verbonden met het denken binnen de kringen van de Rozenkruisers. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan de alchemistische sleutelroman Die Chymische Hochzeit waarin men de kern van de Meestergraad al in extenso tegenkomt, en waarvan men tevens de sporen terugvindt in onze huidige 18de graad Ridder van het Rozenkruis. Binnen dit klimaat zijn de continentale ritualen ontstaan. Ze zijn het resultaat van een ware smeltkroes van uiteenlopende esoterische invloeden. Wat voorts fascinerend is om vast te stellen is dat deze ritualen niet alleen zijn doordesemd van de tijdens de 17de en de 18de eeuw op het Europese continent ontwikkelde rijke hermetische en alchemistische symboliek, maar ook hoe de inhoud daarvan verrassende raakvlakken vertoont met de kern van de in 1945 ontdekte en uit ongeveer 350 jaar na Christus daterende Nag Hammadi-geschriften alsmede een verhelderende en modern aansprekende hermeneutiek vinden in de uitgangspunten van de dieptepsychologie van Carl Gustav Jung.

Verder gaat het niet te ver – ook al is dit wat kort door de bocht geredeneerd – te beweren dat ook de ritualen van de Nederlandse Symbolieke vrijmetselarij – dus die van de eerste drie graden - eerder Frans dan Engels zijn georiënteerd. Niet voor niets sluiten de huidige ritualen van de Nederlandse AASR in tegenstelling tot elders, dan ook prima op die van de thans alhier in zwang zijnde Symbolieke Graden aan. Nog sterker geldt dit voor de ritualen van de reeds genoemde Loge De Oude Landmerken waarin Gnostische en Alchemistische elementen explicieter worden genoemd dan in de sedert jaar en dag gebruikte ritualen van het Hoofdbestuur.
Nogmaals, waarom zou een jonge Meestervrijmetselaar lid willen worden van de Schotse Ritus? Welnu, omdat hij wellicht wil weten hoe de gelaagde betekenis van de ritualistiek in de Symbolieke Graden tot stand is gekomen. Als hij die vraag al niet zelf stelt, zouden we hem kunnen stimuleren die vraag te gaan stellen. En dan ligt het antwoord voor de hand. Want, wie zich nader wil bezinnen op de geestelijke bronnen van de vrijmetselarij is aangewezen op de Schotse Ritus, omdat daarin vanuit verschillende optieken de kern van die kardinale eerste drie graden wordt belicht. Elk rituaal van de Schotse Ritus geeft als het ware weer een andere invalshoek te zien en geen enkel rituaal is onbelangrijk. Sterker nog: de belangrijkheid van een graad valt niet af te meten aan het nummer daarvan: de Vierde graad, die van Geheim Meester waarmee de AASR begint, is niet minder essentieel dan de 14e, 22ste, 28ste of de 30ste . Op een steeds andere wijze wordt de inwijdeling geconfronteerd met de drie in de Symbolieke Graden centraal staande vragen: Wie ben ik? Wat is mijn taak in deze Wereld? Oftewel: Waarom ben ik hier? En Hoe is mijn verhouding tot het of de Allerhoogste? Deze vragen zijn universeel maar krijgen al naar gelang de situatie in ons leven verandert telkens een nieuwe lading. Dit is een aspect waarmee hij die zijn gang door de Schotse Ritus maakt – althans dat is mijn ervaring – onontkoombaar in aanraking komt. Daarbij bewijst opnieuw de mythe als instrumentarium dankbare diensten. Hoe verschillend die mythen in de diverse graden van de AASR ook mogen zijn, steeds weer confronteren ze ons met elementen van die grote overkoepelende mythe uit de Derde graad. Het is aan ons om dit te doorgronden en liefst ook: te doorvoelen. Door die herkenning, als gevolg van het doorzien van een nieuw verband, worden we gestimuleerd om het gebeuren in de Symbolieke Graden vanuit een ander perspectief te gaan beleven.

Uiteraard veranderen niet alleen wijzelf, ook met de wereld om ons heen is dit het geval. En dat gegeven klinkt in de AASR-ritualen evenzeer door, zeker in de in ons land gebruikte ritualen, welke door hun sterk allusieve in plaats van belerende karakter (zoals dat met name in de Angelsaksische AASR-ritualen wordt aangetroffen) voorbeeldig op de Symbolieke Graden aansluiten. Als er al een boodschap van de Schotse Ritus bestaat – en dit is een gevaarlijk woord, omdat het ook een lering kan impliceren en dat is het binnen deze context nu juist niet – is het wel dat de mens moet openstaan voor verandering, dat hij het verleden wel respectvol mag koesteren maar er zich niet door moet laten leven. Waartoe dat laatste kan leiden wordt maar al te duidelijk als we in de wereld van het hier en nu om ons heen kijken. Kortom: de Nederlandse Schotse Ritus staat, ondanks zijn duidelijk esoterische inslag, met beide benen op de grond en dankt daaraan bij uitstek zijn tijdloze karakter: de problemen waarop wordt gezinspeeld zijn namelijk van alle tijden!
Hier aangesproken is het ook goed op een van onze lijfspreuken te wijzen: “Lux Inens Nos Agit”, - “Het Licht dat in ons is drijft ons voort”. Wat is dat Licht dan wel? Het is het geestelijke Licht, dat in de eerste der Symbolieke Graden de Goddelijke Vonk wordt genoemd. Die vonk is in elke mens aanwezig. Het ontdekken van die vonk, die Goddelijke kern in ons zelf is wat wij de moeilijke weg naar het Licht noemen en waarop ook in de Schotse Ritus telkens opnieuw wordt gezinspeeld, zij het met behulp van een andere terminologie dan in de Symbolieke Graden.
Men zou het ook zo kunnen zeggen: de Aloude en Aangenome Schotse Ritus geeft aan de Symbolieke Graden in het algemeen en de Meestergraad in het bijzonder de onontbeerlijke diepte terug, en dit – het kan niet genoeg worden herhaald – op een manier die de mens met een hernieuwde blik naar de reeds begane paden leert kijken. Intern naar de ritualen van deze graden, extern naar de buitenwereld en de zich daarin manifesterende problematiek. Zijn de ritualen van de Symbolieke graden vooral praktisch gericht (wat zeker voor de Eerste en nog sterker voor de Tweede graad geldt); die van de AASR hebben niet zelden een losbrekende functie, gevoelig als ze de inwijdeling maken voor de in de Symbolieke Graden dieper verscholen liggende betekenissen.
Het grote Geheim, zijnde datgene wat de Meester tijdens zijn Verheffing in de Middenkamer gedurende één ondeelbaar om niet te zeggen onmeetbaar moment ervaart, is een verhaal apart en doet ons beseffen dat er tussen datgene wat wij duiden als de Opperbouwmeester des Heelals en de mens in wezen geen afscheiding bestaat. Het is het geheim van de weg naar het hart, het absolute middelpunt. In een oud rituaal van de Loge van Volmaking (de eerste klasse van de Schotse Ritus) staat echter een bijna Zen-achtige uitspraak: “Er is geen weg naar het Hart, het Hart zelf is de weg.” Beter dan ooit wordt hiermee gezinspeeld op de onuitsprekelijkheid van het geheim van de Meesterverheffing. Juist als gevolg van die onuitsprekelijkheid van datzelfde geheim dreigt het gevaar dat dit al spoedig na de eigenlijke verheffing aan aandacht gaat inboeten. Om dit te vermijden is de Meester op dat hulpgereedschap aangewezen. Een hulpgereedschap dat de inwijdeling in staat stelt op zijn eigen en onvervreemdbare wijze die relatie met de of het Allerhoogste, de Opperbouwmeester des Heelals, te leggen. Dat laatste komt zonneklaar tot uitdrukking in een andere lijfspreuk van de AASR waar ook ter wereld: “Deus Meumque Jus”, wat valt te vertalen als “God en mijn recht”. Hiermee wordt nog eens onderstreept dat slechts het oprecht en zelf zoeken naar waarheid de mens kan verbinden met de oergrond van het Zijnde – niemand anders kan dat voor hem doen. Dit is het hoogste Recht aan de mens gegeven door de Allerhoogste.

Het zal na het voorgaande duidelijker zijn geworden als het dat al niet was, dat men nooit klaar is met het doorgronden van de Meestergraad. Dat is dan ook wat ons voortdurend door de ritualen van de Schotse Ritus wordt voorgehouden. In een van de andere AASR-ritualen wordt terecht gesteld dat ons werk nimmer volkomen was en dat we in feite bereid moeten zijn eenmaal bereikte verworvenheden vaarwel te zeggen om die zo fel begeerde geestelijke vrijheid te kunnen bereiken – en geestelijke vrijheid mag u wat mij betreft gerust op één lijn stellen met dat Licht waarnaar wij zoeken, zijnde dat sublieme Goddelijke Geheim in ons Zelf. Of, anders geformuleerd, die geestelijke vrijheid krijgt gestalte vanuit het middelpunt in de cirkel dat overal is en waarvan de omtrek nergens is: het middelpunt waarvan de Meester nooit kan dwalen.
