| Inhoudsopgave |
|---|
| De Schotse Ritus |
| Pagina 2 |
| Pagina 3 |
| Alle pagina's |
Het grote Geheim, zijnde datgene wat de Meester tijdens zijn Verheffing in de Middenkamer gedurende één ondeelbaar om niet te zeggen onmeetbaar moment ervaart, is een verhaal apart en doet ons beseffen dat er tussen datgene wat wij duiden als de Opperbouwmeester des Heelals en de mens in wezen geen afscheiding bestaat. Het is het geheim van de weg naar het hart, het absolute middelpunt. In een oud rituaal van de Loge van Volmaking (de eerste klasse van de Schotse Ritus) staat echter een bijna Zen-achtige uitspraak: “Er is geen weg naar het Hart, het Hart zelf is de weg.” Beter dan ooit wordt hiermee gezinspeeld op de onuitsprekelijkheid van het geheim van de Meesterverheffing. Juist als gevolg van die onuitsprekelijkheid van datzelfde geheim dreigt het gevaar dat dit al spoedig na de eigenlijke verheffing aan aandacht gaat inboeten. Om dit te vermijden is de Meester op dat hulpgereedschap aangewezen. Een hulpgereedschap dat de inwijdeling in staat stelt op zijn eigen en onvervreemdbare wijze die relatie met de of het Allerhoogste, de Opperbouwmeester des Heelals, te leggen. Dat laatste komt zonneklaar tot uitdrukking in een andere lijfspreuk van de AASR waar ook ter wereld: “Deus Meumque Jus”, wat valt te vertalen als “God en mijn recht”. Hiermee wordt nog eens onderstreept dat slechts het oprecht en zelf zoeken naar waarheid de mens kan verbinden met de oergrond van het Zijnde – niemand anders kan dat voor hem doen. Dit is het hoogste Recht aan de mens gegeven door de Allerhoogste.

Het zal na het voorgaande duidelijker zijn geworden als het dat al niet was, dat men nooit klaar is met het doorgronden van de Meestergraad. Dat is dan ook wat ons voortdurend door de ritualen van de Schotse Ritus wordt voorgehouden. In een van de andere AASR-ritualen wordt terecht gesteld dat ons werk nimmer volkomen was en dat we in feite bereid moeten zijn eenmaal bereikte verworvenheden vaarwel te zeggen om die zo fel begeerde geestelijke vrijheid te kunnen bereiken – en geestelijke vrijheid mag u wat mij betreft gerust op één lijn stellen met dat Licht waarnaar wij zoeken, zijnde dat sublieme Goddelijke Geheim in ons Zelf. Of, anders geformuleerd, die geestelijke vrijheid krijgt gestalte vanuit het middelpunt in de cirkel dat overal is en waarvan de omtrek nergens is: het middelpunt waarvan de Meester nooit kan dwalen.
